Naar aanleiding van haar IVe Lustrum (her)introduceerde MERETA de zogenaamde ‘studentenpet’ in het Katelijnse studentenmilieu. Dit bracht heel wat vragen met zich mee, daarom geven wij hieronder een zeer beknopt overzicht vanwaar deze pet eigenlijk komt. Men moet bij wat volgt wel steeds in het achterhoofd houden dat wat in België nu bijna consequent met folkloristische studentikoze activiteit in verband wordt gebracht, vroeger een algemeen vestimentair attribuut van elke student was; men kwam zonder zijn pet eenvoudigweg de straat niet op.
Voor 1900 droegen de meeste studenten nog een deftige bolhoed, want zonder hoofddeksel kwam je immers niet buiten. Zo ging je dan ook naar de les. Een eerste effectieve vermelding over het dragen van studentenpetten vinden we in Luik in 1860, waar vermeldt wordt dat vanaf een bepaalde dag de "Penne" het officieel hoofddeksel van de student is geworden (penne is waals voor klep). Later, rond de eeuwwisseling vinden we overal in België (Brussel, Gent, Antwerpen, Luik,...) witte en groene klakken terug, volgens het typisch Belgisch model. Deze groen of witte pet met een lange klep werd naar Belgische studentikoze gewoonte opzettelijk verfomfaaid en kreeg dan ook in de studentenmond de naam crapuleus. Tot dan was er ook weinig verschil in hoofddeksel tussen de katholieke en vrije studenten.
De tweespalt in de Belgische politiek tussen katholieken en liberalen zorgde wel dat, voornamelijk Waalse studenten, gingen ijveren voor een katholieke pet, en in 1895 werd besloten een zwart rond astrakan petje zonder klep, ook wel toque of calotte genoemd, te dragen. Hoewel de toque ontworpen was als algemene katholieke studentenpet vond ze niet echt bijval onder de Vlaamse studenten, die dan onder leiding van Jef Vanden Eynde in 1907 hun eigen Vlaamsche studentenpet lieten overkomen uit Duitsland. Het waren petten naar Duits model: kleine, ronde petten met een kort klepje. De kleur van het bovenstuk en de drie randkleuren waren verschillend voor elke gouwgilde. Het dragen van deze Vlaamse petten werd door de Walen niet in dank afgenomen. Gedurende een aantal jaar hadden zij geprobeerd de Calotte als universeel katholiek studentenhoofddeksel te promoten, doch dit was dus mislukt.
De Eerste Wereldoorlog had grote gevolgen voor het studentenleven. Op uiterlijk vlak kwam er na de oorlog sterk protest tegen de Duitse petten en linten. Deze eerste werd dan ook verboden door de academische overheid. Door dit verbod begonnen de Vlaamse studenten Franse studentenbaretten te dragen; een platte muts in rood fluweel, die over het oor of naar achteren gedragen werd. Deze studentenbaret noemde ze flat, ze vernederlandsten hiermee de Waalse schimpnaam flatte (koeievlaai) voor hun hoofddeksel.
Pas in 1932 werd op voorstel van Mon de Goeyse de slordig aandoende ‘flat’ vervangen door de zogenaamde Verbondspet. Qua model was deze pet hetzelfde als het model uit 1907, alleen was ze groter. In die periode droeg iedere student zo’n studentenpet. Petten en linten waren toen onderscheidingstekens. Dankzij zijn pet en lint kon de Vlaamse student zich ten eerste onderscheiden van de gewone burger of man in de straat, en ten tweede van de Waalse studenten. Hoe belangrijk die pet voor de student was, blijkt onder andere uit het lied ‘De wrede moord van Leuven’.
Momenteel staat de traditie van het dragen van studentenpetten bij de Vlaamse studenten op een vrij laag pitje. Toch worden ze nog steeds gedragen door de afdelingen van het KVHV, enkele ‘modelclubs’ en nu ook door MERETA. De studentenpet blijft immers het studentikoze symbool bij uitstek!